Naar het debat dat gisteren in Den Haag werd gevoerd, was lang uitgekeken. Toenmalige minister Mariëlle Paul schreef in april vorig jaar een brief over waar het met – volgens haar – met de sturing van het funderend onderwijs naartoe moest. Deze brief was weer een reactie op een aantal onderzoeken, waaronder het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Koersen op kwaliteit en kansengelijkheid van een jaar eerder.
In haar brief schetste de bewindsvrouw een drietal sturingsscenario’s variërend van nadruk op de autonomie van schoolbesturen tot het afschaffen van schoolbesturen met meer dan één school. Zelf had Paul de voorkeur voor een tussenscenario. In het veld was er weinig enthousiasme over het scenariodenken van het kabinet en slechts enkelen spraken zich expliciet uit voor een van de scenario’s. Ook in het debat van gisteren speelden de scenario’s nauwelijks een rol. NSC-Kamerlid Aant-Jelle Soepboer riep op los te komen van scenario’s. Daar was de staatssecretaris het helemaal mee eens. Volgens haar waren de scenario’s alleen bedoeld om de dilemma’s en de ‘knoppen waar je aan kunt draaien’ te schetsen.
Sturingsingrepen
Voor wat betreft de sturingsingrepen vond alleen Nico Uppelschoten (PVV) dat er een fundamentele herziening van de sturing nodig was. Anderen hadden die behoefte niet of minder. Chris Stoffer (SGP, mede namens ChristenUnie) en Harmen Krul (CDA) pleitten voor een ‘sturingsdieet’, Anita Pijpelink (GL/PvdA) betwijfelde of een ander sturingsmodel nodig is. Moet het huidige model niet gewoon beter uitgevoerd worden? Ilana Rooderkerk (D66) wees op de enorme stapeling van sturingsinstrumenten in de afgelopen tientallen jaren, de een weer als reactie op een tekortkoming bij de ander. Wat heeft dit allemaal opgelost, zo vroeg zij zich af. Soepboer wilde een nieuw sociaal onderwijscontract. Inhoudelijk bleek dat behoorlijk in de buurt van het huidige model te liggen. De VVD wilde bij monde van Arend Kisteman nog geen uitspraken over sturingskeuzes doen. Kisteman wilde eerst het aangekondigde Herstelplan afwachten.
Kritiek
In hun bijdragen legden de Kamerleden daarnaast hun eigen accenten. Zo was Soepboer opnieuw kritisch over bovenbestuurlijke entiteiten, zoals de onderwijsregio’s. Wat hem betreft krijgen deze geen eigen geld en governance. Rooderkerk wilde dat de bekostiging vooral rechtstreeks naar de scholen gaat en dat de staatssecretaris mee gaat doen met de cao-onderhandelingen. Pijpelink hekelde de onderwijsbezuinigingen en miste de aandacht voor kansengelijkheid. Wat haar betreft versmalt de regering kansengelijkheid nu veel te veel tot het beheersen van de basisvaardigheden. Uppelschoten wilde ook dat geld rechtstreeks naar de scholen gaat en dat er harde prestatieafspraken met scholen gemaakt worden. Ook stelde hij voor een eigen Pisa-onderzoek in Nederland te houden in de onderbouw van het VO. Stoffer en Krul wezen op het belang en succes van artikel 23 van de Grondwet en de belangrijke scharnierrol van bestuurders. Stoffer was voorstander van een nieuw Schevenings Beraad om de verstoorde relatie (‘relatiecrisis’) tussen de overheid en het veld te herstellen en Krul pleitte voor het vergroten van de professionele ruimte voor alle lagen in het stelsel. Kisteman maakte van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen over het functioneren van de samenwerkingsverbanden.
Grotere rol voor overheid
Staatssecretaris Paul vond dat iedereen in samenspel zijn rol goed moet pakken, waarbij de overheid een grotere rol toekomt en schoolleiders en leraren een stevigere stem moeten hebben in besluiten die de klas raken. In haar beantwoording ging zij in op een groot aantal maatregelen die zij gaat nemen. Zo komt er een nieuw bekostigingsinstrument in de vorm van gerichte bekostiging. Hiermee kan de overheid bestedingsvoorwaarden stellen aan structurele financiering. Dit moet leiden tot een sterke vermindering van de huidige subsidiestromen. Ook komen er normen voor de percentages overhead en geld naar de klas. Er komen wettelijke eisen voor bestuurders en toezichthouders. Een andere wet zal de zeggenschap van schoolleiders en leraren beter borgen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het beter gebruiken van het professioneel statuut, het regelen van het contact van schoolleiders met het intern toezicht en het bevorderen van de totstandkoming van beroepsgroepen voor leraren en schoolleiders. En dan is er nog de komende wet die besturen verplicht strategisch personeelsbeleid te voeren. Volgens de bewindsvrouw zal bij het komende Herstelplan meer duidelijk worden over alle maatregelen. Aan dat herstelplan wordt volgens haar door alle partijen constructief gewerkt. Zij herkende dan ook niet de relatiecrisis waar de SGP over sprak en de Onderwijsraad (‘verstoorde verhoudingen’) naar verwijst.
Herziening van bestuurlijke verhoudingen
Of er nu wel of niet gekozen wordt voor een wel omschreven scenario, de regering lijkt op weg naar een herziening van de bestuurlijke verhoudingen in het onderwijs. De vraag kan worden gesteld of dit niet uitmondt in weer een serie sturingsinstrumenten in de trant van eerdere ingrepen die uiteindelijk weinig opgelost hebben, waar Ilona Rooderkerk in het debat naar verwees. Of, in de slotwoorden van Harmen Krul: zitten we niet in de fuik van de vraag ‘doen we de dingen goed’ in plaats van ‘doen we de goede dingen’?
Geen sturingsprobleem, wel perspectiefprobleem
Verus is samen met de andere profielorganisaties van mening dat de problemen in het onderwijs (waaronder teruglopende resultaten, toenemende kansenongelijkheid en het lerarentekort) niet wijzen op een sturingsprobleem, maar op een perspectiefprobleem. De overheid is het onderwijs steeds meer gaan beschouwen als een meetbaar proces dat met de juiste input tot de gewenste output zal leiden. Wij pleiten voor een pedagogisch perspectief op onderwijs. Daarbij staat de praktijk van het onderwijs centraal, die is gericht op de relatie tussen leraar en leerling en op goede resultaten, maar die niet maakbaar is. Wij schreven dit in de aanloop naar het debat ook aan de Kamerfracties. Hier kun je onze inbreng lezen.
Samen besturen
Deze pagina is onderdeel van ons domein Samen besturen. Verus wil randvoorwaarden scheppen voor geïnspireerd goed onderwijs. Dat doen we door betrokken te zijn bij elkaar en samen te verbinden als gemeenschap, met begrip voor de positie van leden die in hun eigen leergemeenschap functioneren. Bestuurlijke vraagstukken lossen we samen op, met hulp van collega-bestuurders of een adviseur.