Het Rapport Wennink, De route naar toekomstige welvaart, schetst een scherp en urgent beeld van de Nederlandse economie. Langetermijnbeleid en een goed investeringsklimaat zijn noodzakelijk. Gebeurt dat niet, dan dreigt Nederland achterop te raken in een tijd van geopolitieke spanningen, technologische versnelling en toenemende druk op publieke voorzieningen. Onderwijs speelt (met het oog op een hogere arbeidsproductiviteit) een sleutelrol: zonder goed geschoold talent geen innovatie, geen strategische relevantie en geen houdbare welvaart.
Positief is dat het rapport benadrukt dat economische groei niet zonder publieke investeringen in kennis en menselijk kapitaal kan. Daarmee wordt onderwijs expliciet erkend als publiek goed en niet alleen als individuele aangelegenheid. Zonder goed onderwijs geen houdbare samenleving. Het rapport erkent ook dat leren niet ophoudt na het initiële onderwijs. Economische en technologische veranderingen vragen om een leven lang ontwikkelen. Deze erkenning verdient waardering, want daarmee wordt impliciet afstand genomen van het idee dat prestaties in de vroege schoolloopbaan definitief zijn.
Tegelijkertijd is het verhaal over onderwijs in het Rapport Wennink eenzijdig. Het grootste spanningsveld zit in het impliciete mensbeeld van het rapport. Er is een breder en rijker perspectief op onderwijs nodig om de uitdagingen écht aan te pakken.
1. Economische blik op onderwijs dringt andere dimensies naar de achtergrond
Groei wordt als noodzakelijk gepresenteerd, terwijl er ook andere keuzes mogelijk zijn om het toekomstig verdienvermogen te garanderen (zegt bijvoorbeeld deze Triodos-econoom). Onderwijs verschijnt in dit paradigma vooral als dwingende randvoorwaarde om die groei mogelijk te maken. Talent wordt daarbij hoofdzakelijk opgevat als cognitief en technisch inzetbaar vermogen. Andere dimensies van onderwijs – persoonsvorming, burgerschap, morele ontwikkeling en sociale verbondenheid – blijven grotendeels buiten beeld. Dat is begrijpelijk vanuit de economische focus van het rapport, maar het roept wel de vraag op waartoe onderwijs uiteindelijk moet dienen. Beleidsmakers zouden de drie doeldomeinen van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming) in samenhang serieus moeten blijven nemen.
2. Zonder aandacht voor prestatiefascinatie wordt maatschappelijke onvrede nog sterker.
Het rapport pleit voor productiviteitsgroei en betere prestaties. Dit raakt het aan de brede maatschappelijke discussie over prestatiefascinatie en mentaal welzijn. Ja, prestaties doen ertoe en het is belangrijk hoge verwachtingen te hebben van onze jongeren. Maar dan wel ingebed in stevige pedagogische relaties. Er zijn ook schaduwkanten aan de meritocratie. Want, in een systeem waarin onderwijs vooral wordt gewaardeerd om zijn bijdrage aan productiviteit, dreigt schoolsucces de dominante maatstaf voor maatschappelijke waarde te worden. Wie daarin minder succesvol is, kan het gevoel krijgen tekort te schieten, ook wanneer hij of zij op andere manieren wezenlijk bijdraagt aan de samenleving. Als we op deze manier naar prestaties blijven kijken, versterken we de maatschappelijke onvrede en polarisatie in de samenleving.
3. Sturingsprobleem of perspectiefprobleem?
Het rapport stelt dat de overheid ‘excellentie’ moet eisen van het onderwijs en daarvoor ‘meer centrale regie’ nodig is. Positief is dat overheid, leraren én onderwijsbestuurders samen worden opgeroepen om het heft in handen te nemen. Minder positief is dat decentralisatie en vrijheid van onderwijs worden geproblematiseerd. Wennink stelt dat vrijheid te vaak is doorgeschoten naar vrijblijvendheid, wat de basisvaardigheden van leerlingen in het geding brengt. Het is echter de vraag of de problemen in het onderwijs (waaronder teruglopende resultaten) wijzen op een sturingsprobleem. Is er niet eerder sprake van een perspectiefprobleem? De overheid is het onderwijs steeds meer gaan beschouwen als een meetbaar proces dat met de juiste input tot de gewenste output zal leiden. En stelt zich dan de vraag waarom, ondanks de investeringen in het onderwijs, de resultaten eerder verder achterblijven dan beter worden. Er is dus meer nodig: een pedagogisch perspectief op onderwijs.
Tot slot
Het Rapport Wennink zegt een aantal verstandige dingen over onderwijs, maar vertelt op een aantal punten een beperkt of smal verhaal. Het biedt een sterke economische onderbouwing voor investeringen in onderwijs, maar binnen het normatieve paradigma van groei en arbeidsmarkt. Het pleit voor productiviteitsgroei en betere prestaties, maar zonder de relatie te leggen met het maatschappelijke debat over prestatiefascinatie en mentaal welzijn. Het vereist excellentie van het onderwijs en steviger sturing, maar beweegt zich alleen binnen het heersende discours over sturing in het funderend onderwijs.
Daarom dit pleidooi: menselijke waardigheid is geen bijvangst van groei. Beschouw onderwijs niet primair als motor van welvaart, maar als bouwplaats voor een rechtvaardige en waardige samenleving.
Marijke Floris schreef ook een opinie in het Nederlands Dagblad (19 november 2025) over deze thematiek.
Samen besturen
Deze pagina is onderdeel van ons domein Samen besturen. Verus wil randvoorwaarden scheppen voor geïnspireerd goed onderwijs. Dat doen we door betrokken te zijn bij elkaar en samen te verbinden als gemeenschap, met begrip voor de positie van leden die in hun eigen leergemeenschap functioneren. Bestuurlijke vraagstukken lossen we samen op, met hulp van collega-bestuurders of een adviseur.



