Publicatie-
datum:

14 december 2022

Publicatiedatum: 14 december 2022

Het verkennende onderzoek De verschillende aspecten van de meritocratische samenleving en de wijze waarop hier aandacht voor is binnen het onderwijs hield Bierhoff in opdracht van Verus, onder begeleiding van prof. dr. Jan Hoogland van de Vrije Universiteit. Voor het onderzoek deed ze literatuuronderzoek, waarin ze de aspecten van meritocratie (kansenongelijkheid, ongelijkheid op basis van opleidingsniveau en polarisering in de samenleving) koppelde aan de drie doeldomeinen in het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en subjectivering). Want hoe zorg je dat leerlingen kennis en vaardigheden krijgen aangeleerd, maar ook om leren gaan met verschillen in niveau, achtergrond en cultuur en weerbaar zijn in een samenleving van verschillen? En hoe verhoud je jezelf daartoe als bestuurder? Daarom hield Bierhoff voor haar thesis ook gesprekken met schoolbestuurders uit de praktijk. Dit zijn 16 Verus-leden uit het po en vo, en met een protestants-christelijke of katholieke kleur.

Meritocratie is een pittig thema. Waarom koos je ervoor om hier onderzoek naar te doen?

“In mijn tijd dat ik bij een vo-schoolbestuur werkte, hoorde ik geluiden uit de regio dat er nog heel erg anders werd gekeken naar praktijkopgeleiden in vergelijking met wetenschappelijk opgeleiden. Het verbaasde mij zo erg dat in een land als Nederland daar nog zo’n groot verschil in is. Ik dacht hierbij niet meteen aan meritocratie, omdat ik zelf nog niet bekend was met dit onderwerp. Het leek me wel heel interessant om verder in te duiken. Mijn begeleider koppelde mij aan Verus, aangezien dit voor jullie een belangrijk thema op de agenda is. En zo is het balletje gaan rollen en heb ik onder meer 8 bestuurders uit het po en 8 bestuurders uit het vo op dit thema bevraagd.”

Hoe keken deze bestuurders tegen het begrip meritocratie aan?

“Voor sommigen is het ook nog een onbekend terrein, waarbij andere bestuurders er toch al iets meer zicht op hebben. De meeste bestuurders herkennen wel direct het aspect van ongelijke kansen als het gaat om meritocratie. Oftewel: kinderen met rijkere of hogeropgeleide ouders die wel naar huiswerkbegeleiding kunnen, terwijl dit voor anderen niet vanzelfsprekend is. De andere twee aspecten van ongelijkheid op basis van opleidingsniveau en polarisatie in de samenleving, werden minder gelinkt aan het meritocratisch gedachtegoed. Dat had ik ook wel verwacht. Bestuurders zijn namelijk veel met kansengelijkheid bezig en daar is ook al beleid op. Maar de psychische gevolgen die de druk van het meritocratisch denken met zich meebrengt, zijn veel minder bekend. Kinderen die denken: ik moet naar het vwo. En zich gefaald over vernederd voelen als ze dit niet halen: dit is een groter probleem dan bestuurders denken.”

Wat zie je al in de schoolpraktijk gebeuren om meritocratie tegen te gaan?

“Je ziet op sommige vo-scholen al een verlengde schooldag, zodat alle kinderen op school begeleid hun huiswerk kunnen maken. Of denk aan een verlengde brugklas of brede school. In het primair onderwijs ligt de focus op extra taal-of rekenlessen, en boekjes die ouders mee naar huis krijgen om samen met hun kinderen te lezen. Maar bij een brede brugklas of driejarige brugklas moet ook een kanttekening worden geplaatst: dit initieert juist ook het gevoel dat iedereen vwo kan behalen als ze er maar genoeg tijd voor nemen. Je merkt dat veel bestuurders vooral op het gebied van kansengelijkheid actief zijn, maar nog niet zozeer met de verandering van de mindset en het tegengaan van het meritocratisch denken.”

Wat kunnen we volgens jou doen om deze mindset te veranderen?

“Door leerlingen en ouders te laten zien hoe je met elkaar omgaat, ongeacht niveau of achtergrond. Dit kun je doen door het gesprek te blijven voeren met elkaar. Maar vooral ook met eigen ogen te laten zien hoe belangrijk en waardevol kwaliteiten van kinderen zijn. Leerlingen die graag met hun handen werken, moeten óók op een positieve manier benaderd worden. Een van de bestuurders zei terecht: ‘Als ik er een paar weken niet ben, dan is er nog geen man over boord en gaat het onderwijs door. Maar stel de loodgieter is er niet, dan heb je een groter probleem’. Het gaat om dit stukje bewustwording dat we niet zonder elkaar kunnen. Een mooi voorbeeld is ook een pop-up supermarkt die een school had opgezet. Alle niveaus en leerjaren deden mee in dit project. Waarbij de tweede klas zich focuste op het regelen van het kassawerk en de zesde klas fungeerde als supermarktmanager. Per leeftijdsgroep kregen de leerlingen een verantwoordelijkheid die bij hen paste en werkten ze samen in de praktijk om de supermarkt zo goed mogelijk neer te zetten. Zo haal je de praktijk de school in en leer je schoolbreed leerlingen met elkaar samenwerken.

Daarnaast bieden zulke projecten ook de plek om op jonge leeftijd verschillende culturen en achtergronden te omarmen. Want kinderen worden niet geboren met het idee: deze persoon komt uit een armer of laagopgeleid gezin, en is minder waard. Dat krijgen ze door invloeden mee. Daarom is het op jonge leeftijd goed om verschillende opleidingsniveaus en achtergronden bij elkaar te zetten, zodat kinderen zonder oordeel met elkaar kunnen samenwerken én leven. Bestuurders kunnen hierbij ook de samenwerking in de regio opzoeken, zodat er overal een passend aanbod is voor leerlingen.”

Het tegengaan van meritocratisch denken is niet alleen de taak van het onderwijs. Hoe kunnen scholen dit breder aanpakken in de maatschappij?

“Door als schoolbestuur niet enkel bij je eigen organisatie te blijven, maar juist linkjes legt met de gemeente, politie, de buurtsupermarkt of een sportvereniging. Zo kun je met de hele regio en in alle lagen van de samenleving aan de slag om de leefbaarheid te vergroten en de ontwikkeling van kinderen een boost te geven. Zo maken we het een breed maatschappelijk thema.”

Meritocratieonderzoek

De verschillende aspecten van de meritocratische samenleving en de wijze waarop hier aandacht voor is binnen het onderwijs.

Download publicatie

Gerelateerde berichten