Publicatie-
datum:

25 januari 2023

Publicatiedatum: 25 januari 2023

Zodra het gebruik van een schoolgebouw wordt beëindigd, gaat het eigendom van het gebouw in beginsel terug naar de gemeente. Dit wordt het economisch claimrecht genoemd. Het schoolgebouw is bekostigd door de gemeente en daarom blijft de gemeente economisch eigenaar. Toch doet de gemeente soms ten onrechte een beroep op het economisch claimrecht en blijkt dat de school zelf eigenaar blijft na het staken van het gebruik. Er is dan sprake van een oude eigendomsschool. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis. Wij nemen je hier graag verder in mee.

Niet door de overheid bekostigde schoolgebouwen

In 1917 is de Grondwet gewijzigd en sindsdien kent de Grondwet een gelijke positie toe aan het openbaar en bijzonder onderwijs. Vanaf dat moment wordt ook het bijzonder onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wijziging van de Grondwet is uitgewerkt in de Lager – onderwijswet 1920. Deze wet kwam met een verplichting voor de Gemeenteraad om geld te verstrekken aan een rechtspersoon wanneer zij een bijzondere lagere school wenste te vestigen en daarvoor een terrein of gebouw nodig had. Het was uiteraard niet de bedoeling dat een gebouw dat gefinancierd was door de overheid én eigendom werd van een rechtspersoon voor een ander doel zou kunnen worden gebruikt dan voor onderwijs. De Lager – onderwijswet bepaalde daarom dat als de schoolfunctie van het gebouw werd opgeheven, de eigendom ervan terugging naar de gemeente. Dit is later het economisch claimrecht gaan heten.

Voor reeds in gebruik zijnde gebouwen gaf de Lager – onderwijswet 1920 ook mogelijkheden. Op grond van deze wet konden schoolbesturen een verzoek doen voor de bekostiging van de uitbreiding of verbouwing van deze al bestaande schoolgebouwen. Voor deze gebouwen kon de gemeente geen beroep doen op het economisch claimrecht. Deze waren immers niet (geheel) met overheidsgeld bekostigd. Bij verkoop van schoolgebouwen waar de gemeente wel een uitbreiding of verbouwing had bekostigd, komt de gemeente een deel van de opbrengst toe.

Om de verschillen tussen de met overheidsgelden gebouwde scholen en met eigen middelen betaalde scholen zo klein mogelijk te houden was in de Lager – onderwijswet 1920 een regeling opgenomen inhoudende dat aan de scholen welke (deels) uit eigen middelen waren bekostigd door de gemeente een vergoeding werd betaald voor het gebruik van het gebouw en terrein.

Oude wetgeving relevant

Er zijn in Nederland nog altijd tal van schoolgebouwen aanwezig welke oorspronkelijk zijn bekostigd uit eigen middelen. Voor bijzondere onderwijsscholen kan het relevant zijn dit in kaart te brengen. Immers, wanneer het gebouw of terrein ooit is bekostigd vanuit eigen middelen van (de voorganger van) de rechtspersoon dan kan de gemeente geen beroep doen op het economisch claimrecht. Vaak gaan gemeenten ervan uit dat zij hier een beroep op kunnen doen. Het kan interessant zijn om dit in kaart te brengen.

Casus

De Hoge Raad heeft onlangs een interessant arrest gewezen. Het gaat om de uitspraak van 7 oktober 2022 welke is gepubliceerd op 4 november 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:898). De zaak gaat over de vraag wie aanspraak kan maken op de eigendom van de grond van een voormalige school voor bijzonder onderwijs. De eisende partijen in deze kwestie waren de erven van de erflater welke een perceel grond hadden geschonken aan de school. De gedaagde partijen waren de gemeente en de stichting (school). De Hoge Raad legt in dit arrest helder uit wanneer er sprake is van een oude eigendomsschool.

Samenvatting van de feiten

In 1888 is er een school opgericht. De school had de grond in bruikleen van de erflater, een voorvader van de erven. In november 1921 hebben de erfgenamen van de erflater de grond geschonken aan de school. De bouw van de school is gefinancierd met giften van burgers. In 1947 is vastgelegd dat de school de grond niet aan deze erfgenamen of hun rechtverkrijgenden moet teruggeven als de school zou ophouden te bestaan. De school heeft eind 2015 haar deuren gesloten. Het schoolgebouw en de grond zijn overgedragen aan de gemeente op grond van het economisch claimrecht. De erven menen dat dit recht niet van toepassing is omdat de school moet worden aangemerkt als een oude eigendomsschool als bedoeld in artikel 110 lid 4 van de WPO. De erven vorderen schadevergoeding van de stichting en de gemeente wegens het feit dat zij de grond niet hebben teruggekregen van de stichting. De rechtbank en het hof hebben deze vordering afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van een oude eigendomsschool. Hiertegen keert zich het cassatieberoep van de erven.

Beoordeling van de Hoge Raad

Om het oordeel van de Hoge Raad te begrijpen is belangrijk de achtergrond van artikel 110 lid 4 WPO (economisch claimrecht) te kennen. In artikel 110 lid 1 en lid 4 van de WPO staat het volgende:

1. Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken;

4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als bedoeld in artikel E 33 van de Overgangswet WBO, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.

De vraag in dit arrest is of het hier gaat om een gebouw als bedoeld in artikel E33 van de Overgangswet WBO. Hiermee worden de zogenaamde oude eigendomsscholen bedoeld, waarbij zowel de juridische alsook de economische eigendom in handen van het schoolbestuur is. Voor deze scholen is het niet zo dat bij het einde van het gebruik de gebouwen en terreinen aan de gemeente toevallen. Hoe in een dergelijke situatie te handelen, is geregeld in het Besluit oude eigendoms– en huurscholen WPO, ooit gebaseerd op artikel E35, vierde lid, van de Overgangswet WBO.

De vraag is dan ook of er hier sprake is van een zogenaamde oude eigendomsschool. Artikel E33 van de Overgangswet WBO verwijst naar artikel 205 lid van de Lager – onderwijswet 1920, waarin de definitie van een oude eigendomsschool is opgenomen. Het gaat om terreinen en gebouwen van bijzondere lagere scholen die in eigendom van schoolbesturen zijn en op 1 januari 1921 in gebruik of in aanbouw waren.

Zowel de rechtbank als het hof hanteerden de datum van 1 januari 1921 als leidend voor het bepalen of er sprake is van een oude eigendomsschool. Vast stond dat het schoolbestuur in deze casus nog geen eigenaar was van het terrein op 1 januari 1921. Het Hof bevestigde dan ook het standpunt van de rechtbank dat er geen sprake was van een oude eigendomsschool en dat de gemeente terecht een beroep deed op haar economisch claimrecht. De erven zijn in cassatie gegaan. De Hoge Raad geeft aan dat de ratio achter het economisch claimrecht inhoudt dat het gebouw en het terrein door de gemeente zijn bekostigd en daarom valt het ook terug aan de gemeente. Zij stelt dan ook dat aan de datum van 1 januari 1921 geen betekenis kan worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of het economisch claimrecht van toepassing is. Beslissend is enkel of de verkrijging of oprichting van het gebouw of het terrein geheel met overheidsgeld is bekostigd. In deze casus was dat niet het geval en hebben de erven mogelijk recht op schadevergoeding. De zaak is terugverwezen naar het Hof om daar uitspraak over te doen.

Onderzoek naar eigendom kan lonen

Heb je vragen over oude eigendomsscholen of mogelijk een schoolgebouw in bezit dat niet is bekostigd middels overheidsgelden? Vooral bij scholen van voor 1921 is het interessant dit uit te zoeken. Immers, voor 1921 werden bijzondere scholen vaak bekostigd uit eigen middelen. Sinds 1921 worden schoolgebouwen in beginsel bekostigd middels overheidsgelden, maar er zijn uitzonderingen op deze regel. Voor verdere ondersteuning hierbij kun je contact opnemen met onze juridische helpdesk.

Deze bijdrage is geschreven door Amarins Nieuwenhuis.

Gerelateerde berichten