U bent hier

“Thuisbezoek kostte ons gewoon te veel tijd”

“Een jaar of zes geleden hebben we thuisbezoek afgeschaft. Dat heeft nog heel wat voeten in de aarde gehad, omdat docenten het leuk vinden om bij de leerlingen thuis over de vloer te komen. En dat geldt helemaal voor de leerlingen en hun ouders. Docenten kregen daar ook heus wel waardevolle informatie boven. Maar uiteindelijk was het in veel gevallen toch niet écht nodig. En het kostte wél veel tijd. Die tijd stoppen we nu op een andere manier in het contact met de ouders en in het mentoraat.”

Interview met René Venema, afdelingsleider brugklassen aan het Christelijk College Nassau-Veluwe (CCNV) in Harderwijk

Thuisbezoek: in het verleden structureel, nu incidenteel
Onderwijstype: brugklas

Het Christelijk College Nassau-Veluwe is een streekschool, met een uitgestrekt voedingsgebied. Leerlingen komen van heel de Veluwe, en ook vanuit bijvoorbeeld Lelystad. Het was dus met name de reistijd die ervoor zorgde dat thuisbezoeken een te grote investering werden voor de docenten, vertelt René Venema, afdelingsleider van de brugklassen. “Bovendien zijn veel ouders van onze leerlingen relatief hoog opgeleid, en goed in staat om hun kinderen te begeleiden. Ik kan mij voorstellen dat thuisbezoek voor andere scholen meer toegevoegde waarde heeft, maar voor onze school leverde het te weinig op.”

Incidenteel thuisbezoek bij zorgen
Hoewel thuisbezoek dus geen beleid is op het CCNV, kent Venema wel voorbeelden van mentoren die incidenteel op bezoek gaan bij leerlingen thuis. “Zo was er een meisje in de tweede klas, over wie we ons zorgen maakten. Haar prestaties op school kelderden enorm en dat zagen we ook bij haar zus, die ook bij ons op school zat. De mentor nam toen het initiatief om haar thuis op te zoeken. Toen bleek dat haar vader ernstig ziek was. Tegelijk liepen daar thuis veel huisdieren rond, waar die vader allergisch voor was. Dat meisje was erg gehecht aan haar huisdieren, maar doorzag wel dat dat niet goed samen ging. Ze zat klem in een loyaliteitsconflict. We hebben daar toen een maatschappelijk werker bij ingeschakeld.”

Geen contact met ouders
In een ander geval lukte het de betrokken mentor niet om contact te krijgen met de gescheiden ouders van een leerling. “Beide ouders namen de telefoon nooit op. De leerling bleek vlakbij de mentor te wonen. Ze besloot toen om gewoon maar eens even aan te bellen. Dat werd in eerste instantie niet gewaardeerd. De moeder schaamde zich, omdat ze in de schuldsanering zat. Bij excursies hield ze het kind ook thuis, omdat ze die niet kon betalen. Tijdens het bezoek kon de mentor haar duidelijk maken dat we daar een regeling voor hebben. Sindsdien loopt het contact veel beter. Maar als die mentor niet zo dicht bij haar leerling woonde, was ze daar niet op bezoek gegaan.”

Maatwerk in thuisbezoek
Venema kan zich wel voorstellen dat hij met incidenteel thuisbezoek toch soms problemen bij leerlingen thuis mist. “Ouders kunnen de schijn ophouden. Wat ze ons niet vertellen, komen we ook niet te weten. Maar het gaat hier echt om een enkel geval in twee, drie jaar tijd waarbij thuisbezoek nodig was. Maatwerk in het mentoraat werkt voor ons beter dan structureel bij alle leerlingen thuis op bezoek gaan. Ouders missen het trouwens ook niet. We krijgen van hen nooit de vraag: waarom kom je niet eens bij ons op bezoek? En we krijgen ook nooit klachten over een gebrek aan communicatie.” 

Kennismakingsgesprek op school
Het CCNV maakt dus geen beleid meer op thuisbezoek. Toch investeert de school wel degelijk in ouderbetrokkenheid. “Kort na de start in de brugklas nodigen we alle ouders op school uit voor een intensief kennismakingsgesprek. Daarin bespreken we de thuissituatie en de overstap naar het voortgezet onderwijs. Dat is eigenlijk het gesprek dat mentoren voorheen tijdens een thuisbezoek met de ouders voerden. Nu doen we dat op school. We zorgen voor een zo warm mogelijke overdracht. Bij brugklasmentoren kijken we ook goed of zij de brug kunnen slaan tussen de basisschool en de middelbare school. Daarin vervullen ze toch een soort vader- of moederrol. Als je die goed invult, leg je een goede basis voor de komende jaren.”

Dertig minuten gesprekken
Naast het kennismakingsgesprek op school organiseert het CCNV ook mentoravonden rond de rapporten, met gesprekken van een half uur in plaats van tien minuten. “De mentor nodigt daarbij alleen de ouders uit van leerlingen voor wie zo’n gesprek van belang is. Daardoor kan hij voor hen meer tijd uittrekken. In het kader van passend onderwijs hebben we nu ook meer leerlingen met bijvoorbeeld ADHD, PDD-NOS of het syndroom van Asperger op school. Die hebben sowieso meer begeleiding nodig. Ons devies is: onderwijs met aandacht, en intensief indien nodig.”

Intensiever oudercontact door Whatsapp
Ook op andere manieren is het contact van de mentoren met de ouders de laatste jaren juist intensiever geworden, merkt Venema. “Ouders vragen daar zelf meer om. En via e-mail heb je nu ook sneller en directer contact met elkaar dan vroeger. Sommige brugklasmentoren geven ook hun mobiele telefoonnummer aan de ouders, zodat ze met elkaar kunnen Whatsappen. Ouders sturen dan bijvoorbeeld een berichtje als de oma van de leerling is overleden, zodat de school daar rekening mee kan houden. Maar het kan ook om iets kleins gaan, zoals: ‘Hij is zijn brood vergeten, kan hij even geld lenen?’. De lijntjes zijn korter en ouders zoeken sneller contact.”

Onvoldoende meerwaarde
Toen Venema enkele jaren geleden afdelingsleider werd van de brugklassen, is thuisbezoek nog wel even ter sprake gekomen. “We hebben gekeken of we er de kwaliteit van het brugklasmentoraat mee konden verbeteren. Maar de conclusie was opnieuw dat het te weinig oplevert voor de forse tijdsinvestering die we moeten doen. Ik ben voorstander van maatwerk in thuisbezoek, en niet van zomaar bij alle ouders op bezoek gaan. Voor mijn school is de meerwaarde daarvan onvoldoende gebleken.”  

Lees meer verhalen over thuisbezoek