U bent hier

Samenwerking onderwijs en jeugdzorg: ‘Zoeken naar een schuldige heeft geen zin’

Kwaliteit
PO | HBO | WO

Parallel aan de invoering van passend onderwijs werd de Jeugdzorg gedecentraliseerd. Tweeënhalf jaar later zijn leraren en jeugdhulpverleners het erover eens dat een goede samenwerking heel belangrijk is. Maar in de communicatie valt nog een slag te maken. Drie hogescholen gaan studenten beter voorbereiden op samenwerking tussen onderwijs het jeugddomein. “Professionals uit beide sectoren moeten elkaar ontmoeten”, constateert Prof. dr. Jan Hoogland. 

Het onderzoek Persoonlijk Meesterschap in het brede jeugddomein vond plaats binnen het Center of Expertise ‘Persoonlijk Meesterschap’ en werd uitgevoerd door hogeschool Viaa, Christelijke Hogeschool Ede en Driestar Educatief. 

De hogescholen onderzochten wat de succes- en faalfactoren van samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulpverlening zijn én hoe deze samenwerking succesvoller kan verlopen. De uitkomst is, naast een onderzoeksrapport, een Minor 'Samenwerking in het brede jeugddomein’, die studenten vanaf dit najaar kunnen volgen.

Jan Hoogland is lector Samenlevingsvraagstukken bij Viaa en betrokken bij het onderzoek. Verus sprak hem.

Denken leraren niet: ‘Laat mij lekker lesgeven en de jeugdhulpverlener zijn eigen werk doen’?

“Sommigen misschien wel. Maar dat is in ieder geval niet de indruk die wij uit de interviews kregen. Er is brede consensus over het feit dat de leraar en jeugdhulpverlener moeten samenwerken. Maar professionals staan er vervolgens verschillend in. De leraar zegt: ‘Laat mij mijn werk doen en laat jeugdhulpverlening mij waar nodig ondersteunen’. Jeugdzorg zegt: ‘We zijn geen winkel waar je haalt wat je nodig hebt.’”

Is de samenwerking onderwijs en jeugdzorg geïntensiveerd door passend onderwijs?
“Ja. De komst van passend onderwijs leidt tot andere verantwoordelijkheden voor leraren. Ze moeten zelf op pad voor extra ondersteuning. Maar daarbij stuiten ze op het feit dat jeugdzorg in transitie is. Het vorige kabinet is kampioen hervormer, maar ook kampioen opschudder geweest.”

Dat die transitie nog in volle gang is werd deze week maar weer duidelijk: uit onderzoek blijkt dat de toegang tot en de kwaliteit van de jeugdzorg nog lang niet in alle gemeenten op orde is.
“Hoe de gemeente de jeugdzorg inricht maakt natuurlijk wel uit voor hoe gemakkelijk je elkaar ontmoet. Maar ook de vraag hoe professionals kijken naar hun eigen verantwoordelijkheden is belangrijk. Professionals moeten nadenken over hun beroepsopvatting en –identiteit. Vervolgens kunnen ze ontdekken welke aanvullende competenties ze hebben.”

Nadenken over de beroepsopvatting past bij Persoonlijk Meesterschap. Maar wat kun je studenten nu leren over samenwerking met de jeugdzorg als die zó verschillend is vormgegeven?

“Dat ze niet alleen hun eigen ‘koker’ aan professionele vaardigheden nodig hebben, maar ook brede competenties als contact leggen en samenwerken. Professionals moeten elkaar ontmoeten. De volgende vraag is natuurlijk hoe je dat soort ontmoetingen organiseert. Aan die organisatorische kant hebben we in ons onderzoek minder aandacht besteed. Face-to-face contacten zijn in elk geval van belang. Dat alles leren we hen in de vakoverstijgende minor.”

Jullie hebben veel onderwijs- en jeugdzorgprofessionals gesproken. Wordt er veel met de beschuldigende vinger naar elkaar gewezen?
“Docenten vragen zich af of jeugdhulpverleners wel doorhebben wat hun eigenlijke takenpakket is. En jeugdhulpverleners vinden dat het onderwijs een beperkte visie op het kind heeft. De discussie gaat feitelijk over competenties en verwachtingen die mensen hebben. Maar zoeken naar een schuldige heeft daarbij geen zin.”

Lees hier Persoonlijk meesterschap in het brede jeugddomein. Onderzoek naar kritieke succesfactoren en de behoeften van professionals in de samenwerking van onderwijs en jeugdhulp