U bent hier

Onderwijsresultaten achteruit? ‘Staat van het Onderwijs gebruikt onvolledige cijfers’

Kwaliteit
PO | VO

Wie vorige week de berichtgeving over de Staat van het Onderwijs las, zal zich zorgen gemaakt hebben. Ook Stefan Gijsbertsen, beleidsmedewerker bij PricoH, maakt zich zorgen. Over de cijfers die in de Staat gebruikt zijn. Verus vroeg de inspectie om een weerwoord. Die licht in een reactie toe waarom ze het niet eens is met zijn kritiek.

Het grootste probleem vindt Gijsbertsen (beleidsmedewerker Onderwijs & Kwaliteit bij PricoH met 9 basisscholen in Hoogeveen) dat de Staat van het Onderwijs constateert dat de onderwijsresultaten achteruitgaan. “En dat onderbouwt de inspectie met onvolledige cijfers.” De constatering is namelijk vooral gebaseerd op de eindtoetsresultaten, legt Gijsbertsen uit. En daarmee is het volgende mis:

  • De inspectie vergelijkt schoolgemiddelden op de eindtoets. Oneerlijk, omdat kleine groepen leerlingen met grote groepen leerlingen worden vergeleken. Scoort een groep van 12 leerlingen op school x goed, dan weegt hun gemiddelde even zwaar als een groep van 50 leerlingen op school y. “Cito zelf werkt niet met schoolgemiddelden omdat ze weet dat dat geen recht doet aan de werkelijke situatie. Maar de inspectie gebruikt schoolgemiddelden op de eindtoetsscores om te onderbouwen dat leerlingen vorig jaar 0,6 punten lager scoorden.” Wie de leerlinggemiddelden neemt, ziet dat het verschil niet meer is dan 0,3 punten.
  • Het tweede probleem is het feit dat de inspectie eindtoetsen gebruikt om scholen met elkaar te vergelijken. “De toets is hier niet voor bedoeld. Die dient als advies aan de leerkracht. Het is, in de basis, geen middel om de kwaliteit van een school te meten.” De toetsontwikkelaars zijn dat met Gijsbertsen eens, en ze zouden dat wat hem betreft duidelijker mogen laten horen. 
  • De eindtoets van Cito was in 2016 moeilijker dan in 2015. Daardoor zijn de resultaten tussen 2015 en 2016 minder goed te vergelijken.
  • Ook de IEP eindtoets en ROUTE 8 worden meegewogen. Die eerste werd in 2016 véél slechter gemaakt dan in 2015: leerlingen scoorden maar liefst 2 punten lager. Maar het was pas de tweede keer dat deze eindtoets werd afgenomen en het aantal deelnemers was drie keer zo groot. “Hoe kun je dan uitspraken doen over het verschil in eindscores?”, vraagt Gijsbertsen zich af. Datzelfde geldt voor ROUTE 8: “Die is héél veel beter gemaakt. Maar in 2015 deden 3500 leerlingen mee en een jaar later 13.000. Die kun je niet met elkaar vergelijken.”

De Staat geeft dus wel de getallen weer, maar schetst volgens Gijsbertsen een eenzijdig beeld, daar waar andere invalshoeken mogelijk zijn.

Onderling verschil scholen gemeten aan de hand van ondeugdelijke regeling

Over hét nieuws van vorige week, dat de kwaliteit van scholen onderling sterk verschilt, maakt Gijsbertsen zich dan weer minder druk. Op de cijfers die aan de basis van deze constatering liggen, heeft hij wel kritiek. Er wordt namelijk gekeken naar scores op basis van de leerlinggewichtenregeling. Die geeft helemaal geen goed beeld van de werkelijke populatie op een school. Variabelen die veel invloed hebben, zoals inkomen, status van de woonwijk, etniciteit en gesproken taal thuis, worden nog niet meegenomen. “De regeling deugt niet en verklaart minder dan 10% van de variatie. Je kunt daardoor moeilijk uitspraken doen over het verschil in kwaliteit tussen de scholen.” 

Het verschil tussen scholen is wellicht te verklaren door onze vrijheid van onderwijs. “Je kunt kiezen hoe je het onderwijs aanbiedt. Tuurlijk vind ik het belangrijk dat kinderen goed leren rekenen en lezen, maar is het niet veel belangrijker dat ze goed onderbouwde keuzes durven maken? Weten wat ze willen en kunnen? Zachte waarden aanleren gaat wellicht iets ten koste van rekenresultaten, maar wat het oplevert, dat wordt niet gemeten. 

De vraag is: Wat is goed onderwijs? En hoe bepalen we dat samen? Ik denk dat we de wijze waarop we dat doen, samen met de inspectie en sectorvertegenwoordigers als de PO-Raad en Verus, nog kunnen verbeteren.”

Lees hier de reactie van de Onderwijsinspectie op de kritiek van Gijsbertsen