U bent hier

Inwonen en samenwonen. Lex dura sed lex.

Bedrijfsvoering | Planning en prognose
PO | VO

Een school die haar gebouw uitgroeit, kan door de gemeente geholpen worden om bij een collega met leegstand in te trekken. Dat gaat in veel gemeenten in de praktijk anders dan via de in wet en regelgeving vastgelegde weg. Zolang alle partijen in onderling overleg tot een oplossing komen, volstaat dat. Maar is dat niet het geval, dan geldt onverbiddelijk de theorie.

De theorie

In veel gemeenten komt het voor dat de praktijk ver verwijderd is van de theorie. De theorie over het inwonen van een school die uit haar jasje is gegroeid in het gebouw van een andere school die met leegstand te maken heeft, staat in artikel 107 WPO,105 WEC en 76r WVO en in de gemeentelijke Verordening voorzieningen onderwijshuisvesting. De hier te vinden theorie luidt grofweg dat B&W kunnen overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein dat leegstaat als door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij is vastgesteld dat sprake is van aanvullende ruimtebehoefte en het bevoegd gezag van die school een huisvestingsaanvraag heeft ingediend.

De praktijk

Door vele gemeenten en schoolbesturen wordt de aanvraagprocedure als omslachtig en te traag beschouwd. Buiten het geval dat spoedeisendheid kan worden aangetoond, duurt – afhankelijk van het tijdstip waarop duidelijk wordt dat de aanvraag nodig is – de afhandeling van de aanvraag minimaal een jaar. Geen wonder dat in veel gemeenten de praktijk een ander beeld laat zien. 

Vaak loopt het zo: een school geeft bij de gemeente aan dat zij volgend schooljaar extra ruimte nodig heeft. Zij wordt dan door de gemeente verzocht in onderling overleg met omringende scholen tot een afspraak te komen. Lukt dit niet dan zal deze school zich weer tot de gemeente wenden en zal de gemeente eerst informeel en als dat niets oplevert via haar vorderingsrecht de gewenste ruimte vorderen indien er zich inderdaad een school in de buurt bevindt die leegstand heeft. 

Van een dergelijke situatie was ook sprake in het geval waarover de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland op 2 november 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6693) uitspraak deed.

Ontsnappingsmogelijkheid?

Ook in Zutphen kwamen de scholen onderling niet uit een afspraak over medegebruik. Toen dat duidelijk werd, was de termijn waarvoor een aanvraag ingediend moest worden om op het eerstvolgende huisvestingsprogramma geplaatst te kunnen worden al verstreken. De school had eerder al extra ruimte nodig. B&W besloten de leegstaande ruimte te vorderen op basis van de in de huisvestingsverordening opgenomen spoedprocedure. Hiertegen protesteerde de school met leegstand met succes. 

Spoedprocedure biedt geen soelaas

De voorzieningenrechter oordeelde dat deze spoedprocedure bedoeld is voor situaties als brand- en stormschade waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet plaatsvinden of bij herstel van schade als gevolg van constructiefouten en overige schades (zoals vandalisme) en dat de procedure niet bedoeld is als ontsnappingsroute voor de reguliere procedure. 

Het moet volgens de voorzieningenrechter bij de spoedprocedure gaan om de situatie dat zich een ingrijpende gebeurtenis voordoet die niet van tevoren voorzien kan worden. De omstandigheid dat het overleg tussen de betreffende scholen niet tot een oplossing heeft geleid, is geen ingrijpende gebeurtenis die niet van te voren voorzien kon worden. 

Geen sprake van situatie dat onderwijs geen voortgang kan vinden

Overigens was hier wel een andere door de school niet gewenste oplossing mogelijk om het ruimtetekort op te lossen, namelijk inwoning in een naastgelegen schoolgebouw. Het bezwaar van de school was dat het onderbrengen van een aantal van haar groepen in deze locatie niet past binnen de pedagogische uitgangspunten van de school. 

De voorzieningenrechter oordeelde dat dit onvoldoende is om te concluderen dat vordering van ruimte van de school met leegstand nodig is in verband met de voortgang van het onderwijs. Het besluit van B&W waarin zij ruimte vorderde van de school met leegstand werd daarom door de voorzieningenrechter geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het door de school met leegstand gemaakte bezwaar. 

Conclusie

De van de theorie af gegroeide praktijk gaat goed zolang alle partijen in onderling overleg tot een oplossing kunnen komen. Is dat niet het geval dan geldt onverbiddelijk de theorie. De door wet en regelgeving aangegeven weg moet worden bewandeld. Een wijs schoolbestuur doet daarom het één zonder het ander te laten en treedt in overleg maar dient tegelijk ook een aanvraag in.

Elise Visser-Buizert