U bent hier

Inspectie herkent zich niet in kritiek op Staat van het Onderwijs

Kwaliteit
PO | VO

Stefan Gijsbertsen, beleidsmedewerker bij PricoH, maakt zich zorgen over de cijfers die in de Staat van het Onderwijs gebruikt zijn. Verus vroeg de inspectie om een weerwoord. Die licht in een reactie toe waarom ze het niet eens is met zijn kritiek:

Stefan Gijsbertsen maakt zich zorgen over de cijfers die de inspectie gebruikt in de Staat van het Onderwijs. Dat is een gesprek dat de inspectie graag aangaat. Daarom ook publiceert de Inspectie bij de Staat van het Onderwijs over ieder hoofdstuk een Technisch Rapport, waarin een verantwoording en alle relevante cijfers te vinden zijn. Leggen we deze technische rapporten naast het betoog van dhr. Gijsbertsen, dan blijft er weinig van zijn stellingen over.

  • Dhr. Gijsbertsen betoogt dat de stelling dat de onderwijsresultaten achteruitgaan gebaseerd zijn op de eindtoetsresultaten. Wie het hoofdstuk over Niveau en prestaties leest, ziet dat dat niet het geval is. De constateringen zijn grotendeels gebaseerd op de langjarige internationale Pisa- en Timss-studies. Hierbij gaat het om vergelijking op leerlingniveau, en niet op schoolniveau.
  • Er wordt wel gekeken naar schoolniveau in de paragraaf Eindopbrengsten scholen in het po-hoofdstuk (p.60). Hier gaat het dus expliciet niet om het achteruitgaan van leerlingresultaten. Een conclusie is dat de gemiddelde schoolresultaten dalen.
  • Vervolgens stelt hij dat het beeld niet eerlijk is, omdat hier kleine en grote scholen gelijk behandeld worden. Voor het geven van het gemiddelde schoolresultaat is dit echter wel de aangewezen methode. En bovendien worden in het technisch rapport de resultaten ook uitgesplitst naar schoolomvang. Hierbij blijkt dat de resultaten in alle groepen scholen achteruit zijn gegaan.
  • Dhr. Gijsbertsen stelt dat wij schoolgemiddelden gebruiken om te onderbouwen dat leerlingen vorig jaar 0,6 punt lager scoorden. Dat staat er echter niet. Het is een uitspraak op schoolniveau.
  • Vervolgens stelt Gijsbertsen dat de inspectie eindtoetsen gebruikt om scholen met elkaar te vergelijken. Dat gebeurt in dit hoofdstuk niet.
  • De heer Gijsbertsen stelt dat de eindtoets in 2016 moeilijker was dan in 2015. Dit soort schommelingen worden echter verwerkt in de uiteindelijke normering.
  • Gijsbertsen stelt dat ook IEP en Route 8 worden meegewogen. Dat is niet het geval. Er is geen gemiddeld resultaat gegeven voor de verschillende eindtoetsen. Wel wordt geconstateerd dat resultaat op Centrale Eindtoets en IEP dalen, en op de minst gebruikte toets, ROUTE 8, stijgt. Hierbij is niet alleen gekeken naar de totalen, maar zijn ook scholen vergeleken die in beide jaren aan dezelfde toets hebben deelgenomen. Ook ten opzichte van de eigen school zien we een identiek patroon.

Vervolgens gaat Gijsbertsen in op het verschil in kwaliteit tussen scholen. Hij is het niet eens dat hiervoor gekeken is naar het leerlinggewicht. Had hij het technisch rapport gelezen, dan had hij gezien dat we hiervoor ook gekeken hebben naar andere beschikbare gegevens op leerlingniveau: zoals het aandeel leerlingen met niet-westerse achtergrond en aandeel leerlingen van ouders met een academische opleiding. Ook is gekeken naar de verschillen aan de hand van de nieuwe maat van het CBS over leerlingenzwaarte. Uit deze vergelijkingen kwamen dezelfde resultaten: de verschillen tussen scholen met soortgelijke leerlingpopulatie zijn enorm.

We hebben het namelijk niet over keuzes die in de woorden van dhr. Gijsbertsen ‘wellicht iets ten koste gaat van de rekenresultaten’. We hebben het over verschillen die leiden tot gemiddelde adviezen van een of twee schoolniveaus lager.

Er is dus wel degelijk iets aan de hand. Welke conclusies daaraan verbonden moeten worden is open voor discussie.