U bent hier

De Wet werk en zekerheid en ontslag om bedrijfseconomische redenen

Governance | Kwaliteit | Personeelsbeleid
PO | VO | MBO | HBO

Tot 1 juli 2015 kon de arbeidsovereenkomst van personeel in het bijzonder onderwijs zonder voorafgaande toestemming van het UWV worden opgezegd binnen de kaders van de CAO. De Wet werk en zekerheid schrijft sinds 1 juli 2015 in twee situaties voor het onderwijs de weg via het UWV voor. Een school ging met toestemming van het UWV tot ontslag over, waarna de werknemer van de mogelijkheid gebruik maakte om zijn zaak aan de kantonrechter voor te leggen. De kantonrechter oordeelde dat de school op redelijke gronden tot het ontslag had kunnen besluiten en hoefde geen transitievergoeding te betalen. 

Ontslag binnen de WWZ

Uitgangspunt van de WWZ is, dat de werkgever en de werknemer overeenstemming bereiken over de beëindiging van het dienstverband en een beëindigingsovereenkomst sluiten. 
Is de werknemer het niet eens met zijn ontslag, dan zal hij niet aan een dergelijke overeenkomst willen meewerken. In dat geval moet de onderwijswerkgever een ontslagvergunning aanvragen bij het UWV voor een ontslag wegens bedrijfseconomische redenen en voor een ontslag van een werknemer die langer dan twee jaar ziek is geweest. 

Bedrijfseconomische redenen

Voor de ontslagaanvraag op grond van bedrijfseconomische redenen moet de werkgever drie formulieren invullen. De formulieren zijn te vinden op www.uwv.nl en bestaan uit drie delen: 

  • Deel A: algemene informatie over de werkgever
  • Deel B: individuele informatie over de werknemer
  • Deel C: toelichting op de bedrijfseconomische reden

In de formulieren staat per situatie beschreven welke informatie de werkgever moet geven en welke documenten hij moet bijvoegen om de aanvraag te onderbouwen. 
Bedrijfseconomische redenen kunnen betrekking hebben op meer dan alleen de terugloop in het leerlingenaantal waardoor arbeidsplaatsen verdwijnen. Deel C van het formulier noemt bijvoorbeeld ook ‘organisatorische en/of technologische veranderingen’.  Deze grond voerde in augustus 2015 een onderwijsinstelling in het voortgezet onderwijs aan en ontving een ontslagvergunning van het UWV. De werknemer was het niet eens met zijn ontslag en maakte gebruik om zijn zaak aan de kantonrechter voor te leggen. De casus was als volgt:

Organisatorische en/of technologische veranderingen

Het hoofd van de facilitaire dienst bij een school voor voortgezet onderwijs vervult diverse taken. Zo is hij onder meer belast met huisvesting. Als er specialistische kennis nodig is, schakelt het hoofd een extern bedrijf in. 

De directie van de school streeft naar een zo efficiënt mogelijke organisatie. Een manier om op de kosten te besparen is het laten vervallen van de functie van hoofd facilitaire dienst. Deze functie had vanwege nieuwbouw van diverse locaties al langere tijd weinig inhoud meer en de praktijk had aangetoond, dat het resterende werk, met lagere kosten, ook door een particulier bedrijf kan worden gedaan. 

Het schoolbestuur gaat in maart 2015 met de betrokken werknemer in overleg en maakt hem kenbaar dat de functie van hoofd facilitair dienst komt te vervallen. 

Er volgen gesprekken tussen school en de werknemer over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tijdens die gesprekken blijken partijen het er over eens, dat er voor de werknemer geen herplaatsing in een passende functie binnen de organisatie te vinden is. Ook passeren diverse mogelijkheden om een functie binnen het netwerk van de school te zoeken en (financiële) scenario’s de revue, zoals een outplacementtraject. In juli blijkt, dat de gesprekken over de toekomst van de werknemer geen resultaat hebben opgeleverd. 

Ontslagvergunning UWV

In augustus 2015 dient de school bij het UWV een aanvraag in voor een ontslag op grond van bedrijfseconomische redenen. De werknemer reageert met een verweerschrift. Vervolgens geeft het UWV het groene licht voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. 

De school stuurt een brief naar de werknemer met het besluit dat, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, het dienstverband wordt opgezegd. Het besluit wordt gemotiveerd onder verwijzing naar alles wat de school aan het UWV heeft voorgelegd en door het UWV is overgenomen in de beslissing om de ontslagvergunning te verlenen.  

Kantonrechter

De werknemer laat het er niet bij zitten en legt de zaak voor aan de kantonrechter. Zijn eis: herstel, en dus voortzetting van het dienstverband. En als die eis niet wordt ingewilligd: het salaris tot zijn pensioen aanvullen tot 100 procent, dan wel de werkgever te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding. 

Hij onderbouwt zijn eisen met het argument dat de instelling financieel gezond is, en dat er dus geen reden is om de functie te laten vervallen. Bovendien levert de ingreep geen besparing op, aldus de werknemer, omdat het inschakelen van een extern bedrijf ook geld kost. Hij voert verder aan dat de financiële scenario’s die de school aan hem heeft voorgelegd, allemaal nadelig voor hem uitpakken. Het UWV verwijt hij niet serieus naar de ontslagaanvraag te hebben gekeken. 

De kantonrechter verwerpt in zijn oordeel de argumenten van de werknemer en volgt het verweer van de werkgever. De rechter merkt in algemene zin op dat het een werkgever vrij staat om maatregelen te nemen die de continuïteit van de bedrijfsorganisatie garanderen. Een rechter dient die beslissing terughoudend te beoordelen. Die toetsing komt in een concrete situatie toe aan het UWV. Op grond van de overlegde stukken was het UWV van oordeel dat het opheffen van de arbeidsplaats noodzakelijk was in het belang van een doelmatige bedrijfsvoering. 

De toegenomen complexiteit van huisvestingvraagstukken maakt, ook volgens de rechter, dat er voor het hoofd facilitaire dienst geen rol meer is weggelegd binnen de schoolorganisatie. Herplaatsing op een andere functie is niet mogelijk omdat hij daar, gezien zijn specifieke competenties als hoofd facilitaire dienst, niet voor in aanmerking komt. Het afspiegelingsprincipe is niet van toepassing, omdat de werknemer een unieke functie bekleedde. 

Over de financiële situatie van de school stelt de rechter vast dat die minder rooskleurig is dan het lijkt. ‘Alle omstandigheden in aanmerking genomen heeft het bestuur op redelijke gronden kunnen besluiten de functie van de werknemer te laten vervallen’, aldus de rechter. Het verzoek om herstel van de arbeidsrelatie hoeft de school niet te honoreren.

Geen transitievergoeding en geen billijke vergoeding

De vraag waar de rechter zich vervolgens over buigt is of er grond is voor een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De rechter beantwoordt die vraag ontkennend. Hij overweegt daarbij dat in de WWZ is vastgelegd dat in een CAO afgeweken kan worden van een transitievergoeding. Gelet op het feit, dat de werknemer uitzicht heeft op een bovenwettelijke voorziening, is de transitievergoeding niet aan de orde. Dit geldt naar het oordeel van de kantonrechter eveneens voor een billijke vergoeding. 

Het eindoordeel van de rechter luidt, dat het verzoek van de werknemer wordt afgewezen. 

De uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Het schoolbestuur werd in de procedure bijgestaan door mr. Jolien Janse, advocaat bij Verus. Met vragen over een bedrijfseconomisch ontslag kunt u contact met haar en haar collega’s opnemen: 0348-744448.