U bent hier

Aantal zittingstermijnen individuele (G)MR-leden mag beperkt worden

Medezeggenschap
PO | VO | MBO | HBO | WO

De MR van een VO-school stapte naar de landelijke geschillencommissie WMS. Hij was van mening dat de beperking van het aantal zittingstermijn van (G)MR-leden is strijd was met het passief kiesrecht. Nee, oordeelde de Ondernemingskamer in hoger beroep: het aantal zittingstermijnen van een individueel (G)MR-lid mag beperkt worden.

Zeer veel van onze leden gebruiken de door Verus op de website beschikbaar gestelde basisreglementen voor (Gemeenschappelijke) Medezeggenschapsraden in het PO en VO. In deze reglementen staat in artikel 5 derde lid ten aanzien van de zittingsduur van individuele leden van de (G)MR:

Een lid van de raad kan ten hoogste twee maal achtereen gekozen worden en kan ten hoogste (..) jaren onafgebroken deel uitmaken van de raad. Na een onderbreking van minimaal een jaar is betrokkene weer herkiesbaar.

Is beperkte zittingstermijn beperking van passief kiesrecht ?

De MR van een VO-school maakte een zogeheten interpretatiegeschil aanhangig bij de Landelijke Commissie voor Geschillen (LCG) WMS. Zijn stelling was dat dit artikelonderdeel een ontoelaatbare beperking van het passieve kiesrecht inhield van personeel (en formeel ook ouders en leerlingen) van de school. 

Dit zou volgens deze MR onder meer in strijd zijn met de geest van artikel 4 van de Grondwet die – kortweg gezegd – voor iedere Nederlander passief kiesrecht garandeert, ook voor een bij wet voorgeschreven medezeggenschapsorgaan.

“‘Zittingsduur’ betreft de gehele MR, niet één lid”

De LCG WMS oordeelde dat dit artikel 5 derde lid inderdaad niet toelaatbaar is omdat een beperking van het aantal zittingstermijnen niet expliciet in de Wet Medezeggenschap voor scholen (Wms) is toegestaan. Een dergelijke beperking van een fundamentele aangelegenheid als het passief kiesrecht had, zoals dit wel is gebeurd in de Wet op de Ondernemingsraden, dan expliciet in de Wms moeten zijn opgenomen. Het begrip ‘zittingsduur’ in artikel 24 Wms heeft volgens de Geschillencommissie alleen betrekking op de zittingsduur van de gehele MR tussen twee verkiezingen in.

In beroep bij de Ondernemingskamer

Op verzoek van het bestuur van de VO-school ging Verus advocaten in beroep tegen deze uitspraak bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam omdat deze uitspraak strijd is met de wet, namelijk de Wms.

Namens het bestuur is in beroep aangevoerd dat: 

  • Uit de wetsgeschiedenissen van de Wet medezeggenschap onderwijs 1981, de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 en de huidige Wms blijkt dat de inrichting van de medezeggenschap op een school een “minimumbasisregeling” betreft, niets meer en niets minder. Dat gaf en geeft het bevoegd gezag in samenspraak met de (G)MR een zekere vrijheid om de zittingsperiode van de (G)MR vast te leggen, maar ook om het aantal aaneengesloten zittingsperiodes van een lid te beperken. 
  • De MR geen orgaan van overheidsdienst is zoals bedoeld in artikel 4 Grondwet.

Aantal zittingsperiodes mag beperkt worden

De Ondernemingskamer heeft in haar uitspraak van 22 februari 2017 op grond van de door Verus advocaten aangevoerde gronden geoordeeld dat de WMS een basisregeling betreft, artikel 4 Grondwet in deze zaak niet van toepassing is en dat daarom het toegestaan is om in een (G)MR-reglement het aantal aaneengesloten zittingsperiodes van een individueel lid te beperken.

Overigens is het niet verplicht om een dergelijk aantal aaneengesloten zittingsperiodes in een reglement te beperken.  

Hebt u vragen naar aanleiding van deze highlight onderwijsrecht? Neem contact op met advocaat Kees Verhaart.