Wetsvoorstellen in relatie tot Artikel 23

Veel wetsvoorstellen leggen regels op en beperken daarmee de vrijheid die scholen en besturen hebben. In die zin houden de meeste wetten verband met de vrijheid van onderwijs. Maar er zijn ook wetsvoorstellen die op een meer directe manier gerelateerd zijn aan Artikel 23.
 

Wetsvoorstel samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool

Deze wet maakt het voor een bijzondere en een openbare school eenvoudiger om te fuseren. De leerlingendaling hoeft minder sterk te zijn dan in de huidige situatie. Bovendien wordt het mogelijk dat een openbaar bestuur een samenwerkingsschool gaat besturen. Samenwerkingsscholen moeten een identiteitscommissie instellen en alleen een stichting kan een samenwerkingsschool besturen.

Verus is net als de Raad van State zeer kritisch over dit wetsvoorstel. De criteria waaronder een samenwerkingsschool met dit wetsvoorstel wordt toegestaan zijn zo ruim dat de samenwerkingsschool geen uitzondering meer is op het duale bestel, maar eerder een reguliere variant. Verus hecht aan de keuzevrijheid die het duale bestel met openbaar en bijzonder onderwijs ouders nu biedt, en vindt daarom dat de samenwerkingsschool een uitzondering moet zijn. De verplichting voor samenwerkingsscholen een identiteitscommissie in te stellen, botst met de autonomie van scholen. Daarnaast moet en kan identiteit niet ‘bewaakt’ en weggestopt worden in een verplichte commissie: identiteit doortrekt de hele school als gemeenschap. Daar past een integrale visie op identiteit bij, met volwaardige inbreng van zowel de bijzondere als openbare stroming. Doordat een openbaar bestuur een samenwerkingsschool kan gaan besturen wordt uiteindelijk de gemeente verantwoordelijk voor de identiteit van het bijzondere, vaak levensbeschouwelijke profiel. Dat is zeer onwenselijk.

Eind 2016 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel aangenomen. Het ligt nu in de Eerste Kamer. Deze heeft de Raad van State opnieuw om advies gevraagd.

Gerelateerde nieuwsberichten

 

Wetsvoorstel toekomstbestendig onderwijsaanbod

Deze wet regelt dat schoolbesturen en gemeenten gemakkelijker een toekomstbestendig onderwijsaanbod kunnen realiseren doordat: 

  • Belemmeringen voor omzetting, uitbreiding met een richting of verplaatsing van scholen worden weggenomen
  • Een nevenvestiging een andere richting dan de hoofdvestiging van de school kan krijgen
  • Een splitsing van de gemeentelijke opheffingsnorm eerder in kan gaan

In het oorspronkelijke wetsvoorstel was de verplichting voor schoolbesturen opgenomen om deel te nemen aan ‘op overeenstemming gericht (regionaal) overleg om samen met andere schoolbesturen te komen tot een toekomstbestendig onderwijsaanbod dat aansluit bij de wensen en behoeften van ouders’. Dat regionale overleg zou moeten plaatsvinden op het niveau van het samenwerkingsverband passend onderwijs. Op dit punt was Verus, evenals de Raad van State kritisch op het wetsvoorstel. Inmiddels is de overlegverplichting uit het wetsvoorstel gehaald en kan Verus zich in de hoofdlijnen vinden.

Op dit moment ligt het wetsvoorstel in de Tweede Kamer en hebben verschillende fracties schriftelijke vragen gesteld.

Gerelateerde nieuwsberichten

 

Wetsvoorstel modernisering voorzieningenplanning

Dit wetsvoorstel is een vervolg op de evaluatie in 2013 van de wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs uit 2008. Deze wijziging verlegde de verantwoordelijkheid voor een goede afstemming tussen onderwijsvraag en aanbod voor een groot deel van de centrale overheid naar regionaal samenwerkende schoolbesturen en introduceerde het Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen (RPO). Deze verandering werkt goed, zo bleek uit de evaluatie. Er waren slechts enkele “technische en licht beleidsmatige verbeteringen” gewenst die zijn opgenomen in dit wetsvoorstel.

In zijn advies over het wetsvoorstel adviseert de Raad van State om van de gelegenheid gebruik te maken het begrip ‘verlangde richting’ af te bakenen. Besturen moeten bij het aanvragen van bekostiging voor een bijzondere school aangeven van welke richting de school uitgaat. In de praktijk is het tot op heden mogelijk om niet alleen een enkelvoudige richting op te geven, maar ook een willekeurige combinatie van meerdere richtingen, ook als deze combinatie onlogisch of zelfs inhoudelijk tegenstrijdig is. Er zijn schoolbesturen die van deze mogelijkheid gebruik maken om op deze manier een voldoende aantal potentiële leerlingen aan te tonen. Een bekend voorbeeld is de Stichting Tjalling Koopmans die bijvoorbeeld in Utrecht een school op humanistische, algemeen bijzondere, hindoeïstische, islamitische, reformatorische en gereformeerd vrijgemaakte grondslag wil beginnen. Het wetsvoorstel legt dit combineren van richtingen aan banden en regelt dit ook voor het primair onderwijs.

Verus is positief over dit wetsvoorstel, dat een einde maakt aan de uitholling van artikel 23 van de Grondwet. Half januari 2017 stuurde het kabinet het voorstel naar de Tweede Kamer. De fracties hebben een schriftelijke vragen en opmerkingen inmiddels ingediend.

Gerelateerde nieuwsberichten

 

Wetsvoorstel meer ruimte voor nieuwe scholen

Aan dit wetsvoorstel wordt door het ministerie van OCW al anderhalf jaar hard gewerkt. Het was de bedoeling om het voor de verkiezingen van 15 maart 2017 in te dienen bij de Tweede Kamer. Dit is echter niet gebeurd.

Wel heeft de Raad van State inmiddels zijn advies uitgebracht, maar dat is nog niet openbaar. Kern van de analyse die ten grondslag ligt aan het wetsvoorstel is dat het huidige scholenbestand met een meerderheid van christelijke en katholieke scholen niet meer zou passen bij de veranderde, geseculariseerde maatschappij. Ook zou het starten van een nieuwe school te moeilijk zijn en zouden nieuwe, innovatieve onderwijsconcepten te weinig kans krijgen. Tenslotte zouden er op dit moment voordat een school begint te weinig garanties zijn over de toekomstige onderwijskwaliteit. Om deze veronderstelde problemen op te lossen schaft het wetsvoorstel het richtingbegrip af, introduceert het een andere manier van belangstellingsmeting (ouderverklaringen of marktonderzoek) en komt het met een kwaliteitstoets voorafgaand aan het besluit om school te bekostigen.

Verus deelt het uitgangspunt dat ouders onderwijs moeten kunnen kiezen dat past bij de manier ook zij hun kinderen willen opvoeden. Over de manier waarop het wetsvoorstel Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen dit regelt zijn wij echter zeer kritisch. De praktische nadelen zijn groter dan de theoretische voordelen: het betere is hier de vijand van het goede. De analyse dat het huidige scholenbestand niet meer past bij onze samenleving delen we niet. Samen met de VGS hebben we TNS/Nipo onderzoek laten doen naar de tevredenheid van ouders met het scholenaanbod. Die tevredenheid blijkt zeer groot te zijn. Katholieke, christelijke en andere scholen passen zich, in tegenstelling tot wat de regering lijkt te denken, aan ontwikkelingen in de maatschappij en wensen van de ouders aan. Er is zodoende een enorme diversiteit in het scholenaanbod ontstaan, waarbij ook innovatieve onderwijsconcepten volop aan bod komen. Mensen met een nieuw onderwijsidee waar veel ouders voor warmlopen treden wat Verus betreft in overleg met bestaande scholen om te kijken of en hoe dat idee ingepast kan worden. Scholen zouden open moeten staan voor dergelijke gesprekken. Dat is meestal ook het geval. De kwaliteitstoets vooraf heeft het risico in zich dat de overheid zich inhoudelijk gaat bemoeien met het onderwijs. De ruimte op dit punt is in het wetsvoorstel zoals dat in de internetconsultatie voorlag veel te groot.

Verus heeft niet alleen een aantal inhoudelijke bezwaren tegen het wetsvoorstel, wij vinden het ook onvoldragen. In die zin dat belangrijke factoren bij het starten van een school, te weten de stichtingsnormen en de bekostiging, niet in het wetsvoorstel worden meegenomen.

Gerelateerde nieuwsberichten

 

Wet  doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht (Bisschop, Rog, Van Meenen)

Deze initiatiefwet van de Kamerleden Bisschop, Rog, Van Meenen is in maart 2016 door de Eerste Kamer aangenomen. De wet regelt dat de Onderwijsinspectie in haar werk een duidelijk onderscheid moet maken tussen haar beoordelende en stimulerende taak. Oordelen mogen alleen gaan over de wettelijke deugdelijkheidseisen. Scholen worden aangemoedigd hun eigen visie op onderwijskwaliteit te formuleren. De Inspectie gaat daarover met hen in gesprek, maar oordeelt daar niet over. Verus is enthousiast over deze wet.