Vrijheid van onderwijs bestaat 100 jaar, maar is actueler dan ooit

Dit jaar vieren we dat 100 jaar geleden de gelijke bekostiging voor openbaar en bijzonder onderwijs in de grondwet werd vastgelegd. Daarmee was ook het laatste aspect van onze ‘vrijheid van onderwijs’ bij wet geregeld. Wat ging eraan vooraf? En hoe kwam het beroemde ‘artikel 23’ tot stand? Hoe doet Nederland het in vergelijking met het buitenland? En hoe denkt men vandaag de dag over onze vrijheid van onderwijs?

Toppositie

Met onze vrijheid van onderwijs scoort Nederland zeer hoog op internationale ranglijstjes.  Want niet alleen op het gebied van - bijvoorbeeld - de gelukkigste kinderen, de mate van persvrijheid of de kwaliteit van onze gezondheidszorg, maar óók als het gaat om onderwijsvrijheid neemt ons land in vergelijking met andere landen een toppositie in. Vrijwel nergens anders in de wereld (alleen Ierland gaat ons nog voor) hebben ouders zóveel vrijheid om zelf te kiezen welke school hun kind bezoekt. Met welke levensbeschouwelijke kleur. Of welke onderwijsinrichting. En bestaat de gewenste school nog niet? Dan hebben ouders het recht er een te stichten. Bovendien kunnen niet-openbare en openbare scholen rekenen op dezelfde overheidsfinanciering. Die combinatie van vrijheden en rechten is feitelijk ongekend.
 


 

Een uniek onderwijsstelsel

De uitgebreide vrijheid van onderwijs zoals we die in ons land kennen, is dan ook zeer bijzonder en zelfs uniek te noemen. Maar zelfs aan iets unieks kun je zo gewend raken, dat je het niet meer als bijzonder ervaart. Dat heeft wellicht ook te maken met het succes van de vrijheid van onderwijs. In ons land bezoekt meer dan 70% van de kinderen in het funderend onderwijs een ‘bijzondere’ school, een percentage dat al 60 jaar zo hoog ligt. Een bijzondere school zijn we daarmee als iets normaals gaan beschouwen. Maar het feit dat er vrijwel geen congres in het buitenland over dit onderwerp plaatsvindt zonder dat een spreker uit ‘gidsland’ Nederland het woord voert, geeft wel aan dat onze onderwijsvrijheid toch echt ‘wereldberoemd’ is.

 

1. Wat eraan voorafging: de schoolstrijd

Aan de vrijheid van onderwijs ging een felle schoolstrijd vooraf. Stapsgewijs neemt gedurende de 19e eeuw de vrijheid steeds iets verder toe via diverse onderwijswetten.

Start van een felle strijd

Die onderwijsvrijheid kwam er bepaald niet zonder slag of stoot. Vooral tussen 1800 en het begin van de 20e eeuw wordt een felle strijd gevoerd over de inrichting van ons onderwijsstelsel. Tot die (Franse) tijd waren het de kerken die eigenlijk overal in Europa de scholen ‘in handen’ hadden. Pas vanaf 1800 verandert dat, als ons land een eerste ‘Agent van Nationale Opvoeding’ krijgt, een soort minister van onderwijs. Al snel komt er ook een heuse onderwijswet, die in 1806 wordt aangepast. Het onderscheid tussen openbaar en christelijk onderwijs wordt daarmee flink vergroot. De wet legt de openbare school een algemeen christelijk karakter op. Kinderen moeten worden opgeleid ‘tot alle maatschappelijke en christelijke deugden.' Nederland was een christelijk land. Daarom diende dit openbare onderwijs ook een christelijk karakter te hebben. Maar dan wel een algemeen-christelijk karakter waarin niemand voor het hoofd gestoten mocht worden. Om die reden worden alle godsdiensten aan elkaar gelijkgesteld. 

School zónder Bijbel

Direct gevolg van de nieuwe wet is dat bestaande christelijke scholen mogen blijven, maar dat nieuwe stichten vrijwel niet meer mogelijk is. De wet schrijft voor hoe scholen ingericht moeten worden, wat het leerplan is, hoe het lesrooster eruitziet en welke vakken op het lesprogramma moeten staan. Ook komt er een lijst met toegestane boeken op scholen. De bijbel ontbreekt op die lijst. Het waren dus scholen zónder Bijbel. Later zou dat voor veel christelijke scholen aanleiding zijn om, enigszins provocerend, hun school de ‘School mét de Bijbel’ te noemen.

De schoolstrijd begint

De Joodse bevolking maakt al snel bezwaren tegen de wet. Het ‘algemeen christelijk karakter’ van de openbare scholen, een duidelijke verwijzing naar het Nieuwe Testament, is voor hen onaanvaardbaar. Deze bezwaren worden erkend en vanaf 1817 mogen zij eigen scholen stichten met subsidie van de staat, een unicum in Europa. Ook de orthodoxe protestanten hebben bezwaar tegen de wet. Zij verzetten zich tegen de filosofie van de Verlichting en de groeiende ontkerstening en houden vast aan een school op gereformeerde grondslag. Hier liggen de kiemen van de Schoolstrijd.

Iets meer vrijheid

De situatie verandert in 1848. In de nieuwe grondwet wordt de vrijheid van onderwijs als recht opgenomen. De openbare school verandert van karakter en wordt van ‘algemeen christelijk’ in de nieuwe schoolwet van 1857 nu ‘neutraal’. De vrijheid van onderwijs neemt met de nieuwe grondwet enigszins toe en zorgt ervoor dat op veel plaatsen bijzondere scholen worden gesticht. Hoewel het openbaar onderwijs regel blijft en verschillende gemeentebesturen weigeren toestemming te geven voor het stichten van bijzondere scholen, blijft het aantal bijzondere (christelijke) scholen toenemen: in 1848 zijn er 789 bijzondere scholen, zes jaar later zijn dat er al 909, terwijl het aantal openbare scholen maar nauwelijks stijgt en zich rond de 2500 beweegt. 

Nieuwe onderwijswet

De schoolstrijd gaat intussen door en richt zich vooral op de subsidiëring van het bijzonder onderwijs. Deze financiering wordt een steeds groter probleem als in 1878 via de nieuwe onderwijswet hogere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van het onderwijs. Er komen kleinere klassen, de eerste leerplannen, betere leermiddelen en hogere onderwijzerssalarissen. De financiering wordt verdeeld tussen Rijk en gemeenten, schooltijden worden vastgesteld en schoolgebouwen moeten aan hogere eisen voldoen. De op zichzelf waardevolle verbetering brengt wel fors hogere kosten met zich mee, waar vooral de bijzondere scholen onder te lijden hebben. Het bijzonder onderwijs wordt zo immers heel erg duur, terwijl voor veel ouders het schoolgeld toch al een forse belasting vormt. Bij invoering van de wet zouden veel ouders het schoolgeld helemáál niet meer kunnen opbrengen. 

Het eerste volkspetitionnement

De confessionelen vatten de wet dan ook op als de doodssteek voor het christelijk onderwijs. Onder aanvoering van onder meer de leidsman van de antirevolutionairen, Abraham Kuyper, start een actie om tegen de wet te protesteren en de koning op te roepen deze niet te tekenen. Het eerste massale volkspetitionnement in de geschiedenis is een feit. In totaal worden 305.869 protestantse en 164.000 katholieke handtekeningen (van uitsluitend mannen!) opgehaald. Een enorm aantal, zeker omdat ons land dan nog maar 4 miljoen Nederlanders telt. Hoewel de koning de handtekeningen welwillend in ontvangst neemt, tekent hij de wet toch.

 

2. Naar een uniek onderwijsstelsel

De grondwetswijziging in 1917 luidt een nieuw tijdperk in. Vanaf die tijd neemt het bijzonder onderwijs een enorme vlucht.

De pacificatie van 1917

Een verandering komt pas in zicht als op politiek niveau een coalitie ontstaat tussen de calvinisten (Antirevolutionaire Partij) en rooms-katholieken (Rooms-Katholieke Staatspartij). Dat leidt er al in 1889 toe dat de staat de bijzondere (vrije) scholen voor een deel gaat subsidiëren. Volledige financiële gelijkstelling wordt bereikt bij de grondwetswijziging van 1917. Socialisten, protestanten en katholieken vinden elkaar bij deze ‘pacificatie’ in een uitruil van twee grote wensen: de christelijke partijen krijgen ‘hun’ onderwijsvrijheid, de socialisten ‘hun’ algemeen kiesrecht voor mannen (Het vrouwenkiesrecht zou nog even op zich laten wachten…). Concreet betekent het een gelijke behandeling van openbare en bijzondere scholen. En dus ook: dat beide typen onderwijs op dezelfde wijze recht hebben op financiële steun van de overheid. Zelden had een politieke ‘deal’ zulke langdurige en grote gevolgen, want de ‘deal’ houdt inmiddels – op een kleine aanpassing na - al 100 jaar stand en raakt feitelijk iedereen.

Artikel 23: drie onderwijsvrijheden

In de nieuwe grondwet is het beroemde artikel 23 opgenomen. Op basis van dit artikel kennen we in Nederland drie onderwijsvrijheden: de vrijheid van stichting, van richting en inrichting. Vrijheid van stichting betreft de vrijheid een bijzondere school te stichten. Vrijheid van richting houdt de vrijheid in om in het onderwijs een eigen religieuze of levensbeschouwelijke visie op mens en maatschappij tot uitdrukking te brengen. En de vrijheid van inrichting omvat de vrijheid om de organisatie en de inhoud van het onderwijs naar eigen inzicht in te richten. Daaronder vallen het recht op een eigen toelatingsbeleid (van leerlingen), een eigen benoemingsbeleid (van personeel) en eigen onderwijsmethoden en leermiddelen. Zo komt een einde aan de Schoolstrijd die zo’n tachtig jaar het onderwijs en de politiek heeft beroerd.

Een nieuw onderwijslandschap

De verandering wordt pas echt merkbaar als de Lager-Onderwijswet van 1920 van kracht wordt, waarin de consequenties van de vrijheid van onderwijs en de financiële gelijkstelling zijn uitgewerkt. Deze zijn enorm en zorgen ervoor dat een nieuw onderwijslandschap ontstaat. Het aandeel van het openbaar en het bijzonder onderwijs (71% resp. 29% in 1890) verschuift - vooral door de stichting van tal van bijzondere scholen - naar 38% resp. 62% in 1930. Vanaf 1950 (tot nu toe!) blijven de percentages ongeveer constant op 30% voor het openbaar onderwijs en 70% voor het bijzonder onderwijs. 

Een veelkleurig palet

Daarnaast ontstaat, vooral door de vrijheid van richting, een grote pluriformiteit in het Nederlandse onderwijs. Al gauw ontstaat er –naast het openbaar onderwijs - een veelkleurig palet aan scholen, die zijn te verdelen in drie hoofdrichtingen: rooms-katholieke scholen, protestants-christelijke scholen en algemeen bijzondere scholen. Maar ook binnen elk van deze richtingen is de verscheidenheid aan scholen groot. Allerlei nieuwe onderwijsvormen krijgen in Nederland door de Lager-Onderwijswet een kans als gevolg van de vrijheid van inrichting: Montessorischolen (nu ongeveer 250), Jenaplanscholen (ongeveer 250), vrije (Waldorf)scholen (ongeveer 85), Daltonscholen (ongeveer 85), Freinetscholen (ongeveer 15) en vele andere typen. Nederland heeft daarmee het meest gevarieerde onderwijsaanbod ter wereld.

Romme haalt bakzeil
In de oorlogsjaren deed de Katholieke voorman Romme nog een poging de grondwet te wijzigen. Zijn voorstel behelsde dat er voortaan alleen nog katholieke of christelijke scholen waren, en dat niet-christelijk onderwijs niet langer werd toegestaan. Het voorstel kwam pas na de oorlog in stemming, maar haalde het niet. Artikel 23 bleef onverminderd van kracht.

 

3. Nederland in vergelijking met onze buren

Hoe groot de onderwijsvrijheid in ons land is, zie je pas goed als je over de grens kijkt. Hoe is de situatie in landen om ons heen?

Onderwijs in andere landen

In landen om Nederland heen heeft de inrichting van het onderwijs uiteraard ook niet stilgestaan. Ook daar zijn meer onderwijsvormen mogelijk dan de ‘standaard’ openbare scholen, hoewel die laatsten vrijwel overal sterk in de meerderheid zijn en de de facto standaard. Een rondgang over de grenzen maakt meteen duidelijk hoe bijzonder en verregaand onze vrijheid van onderwijs is. Met name het feit dat in ons land de financiering voor alle scholen gelijkgetrokken is is heel bijzonder. Want in veel omliggende landen brengt de keuze voor een niet-openbare school een kostenpost voor de ouders met zich mee.       

In Duitsland is het aandeel private scholen en kerkscholen beperkt. Volgens de jongste cijfers bezoekt 8,7% van de leerlingen (zo’n 1,1 miljoen) een niet-openbare school. 10,8% van de algemeen vormende scholen is ‘onafhankelijk’, in het beroepsonderwijs is dat zo’n 25%. Totaal gaat het om zo’n 2000 katholieke en evangelische instellingen. Daarnaast zijn er nog zo’n 500 private – en daardoor dure scholen. De financiering door de overheid is - afhankelijk van de aard van de school en de deelstaat waar deze zich bevindt - tussen de 60 en 90%. In het beroepsonderwijs is dit overigens een stuk lager. Ook voor wat betreft de inhoud van het onderwijs is de vrijheid beperkt. Alle scholen moeten zich houden aan het (deel)staatscurriculum. Dat schrijft voor welke leerstof in welke tijd doorgewerkt moet worden. Wel is er een zeker mate van vrijheid in het kiezen van een methode en leerboeken. Hoewel ouders formeel vrij zijn in het kiezen van een school hebben ze daarvoor weinig mogelijkheden omdat er maar weinig alternatieven in de buurt zijn.

In Engeland is het onderwijsstelsel recent sterk veranderd. Het overheidsonderwijs (60% van de scholen) werd bestuurd door lokale autoriteiten waarvan de bestuurders democratisch gekozen werden. Gaandeweg wordt dit gezag overgedragen aan private partijen, zogenaamde ‘trusts’ en ’chains’, waaronder kerken. Ook veel Faith-schools (vergelijkbaar met onze bijzondere scholen) treden tot deze ‘trusts’ toe, andere doen dit niet. Wel kunnen ook deze ‘onafhankelijke’ scholen op volledige overheidsfinanciering rekenen mits men goedgekeurd is door de inspectie. In de nieuwe situatie is er ook ruimte voor zogeheten ‘free schools’, scholen gesticht als particulier initiatief. En verder zijn de mogelijkheden voor thuisonderwijs in Engeland groter dan bij ons. Tot slot is er nog het bekende - en vooral dure – privéonderwijs dat particulier gefinancierd wordt.

Ook bij onze zuiderburen is de vrijheid van godsdienst in de grondwet vastgelegd, hier in artikel 24. De Belgen hebben misschien wel het meest ingewikkelde onderwijsstelsel, mede veroorzaakt door de drie verschillende taalgebieden, elk met een eigen minister van onderwijs. Ook het feit dat openbaar onderwijs (hier ‘officieel’ of ‘neutraal’ onderwijs genoemd) zowel door de landelijke, gemeentelijke als provinciale overheid wordt aangestuurd, maakt het er niet eenvoudiger op. Net als in Nederland zijn er veel bijzondere scholen, in België ‘vrij onderwijs’ geheten. Daarin bestaat dan weer een onderscheid tussen confessioneel vrij onderwijs (katholiek, protestants, islamitisch en joods onderwijs bijvoorbeeld) en niet-confessioneel vrij onderwijs (vrije scholen, Montessori-onderwijs etc.). Onder voorwaarden krijgen deze ‘vrije’ scholen dezelfde subsidies als de openbare scholen, maar door ingewikkelde verdeelsleutels krijgen zij tóch minder geld. Ook geldt er een acceptatieplicht voor alle scholen. Liefst 70% van de Vlaamse kinderen bezoekt een katholieke school en 50% van de Waalse kinderen. Slechts een kleine 20% van de Vlaamse kinderen gaat naar een ‘officiële’ school, in Wallonië is dat bijna 50%. Dat betekent ook dat andersoortige scholen voor vrij onderwijs slechts een zeer gering aandeel hebben in het Belgische onderwijs.  

Denemarken komt nog het dichtst bij de Nederlandse graad van vrijheid. Wat opvalt is dat de bijzondere scholen hier erg veel vrijheid hebben. Zo hoeven leerkrachten geen diploma’s te hebben en is het lesprogramma volledig vrij. De overheid financiert deze scholen wel, maar niet voor de volle 100%. Daardoor is er een forse eigen bijdrage voor ouders, die voor het eerste kind kan oplopen tot 1.000 euro per jaar. Voor volgende kinderen is deze bijdrage weliswaar lager, maar het vormt voor veel ouders toch een forse drempel om hun kind naar een niet-openbare school te sturen. Ook hier zijn de openbare scholen dan ook de meest bezochte.

 

4. 100 jaar en nog steeds van deze tijd

Is ons onderwijssysteem nog van deze tijd? Regelmatig vinden discussies plaats over aspecten. Maar de tevredenheid is nog altijd zeer groot onder ouders. En bewijst ons onderwijssysteem zich niet juist in deze tijd?

Artikel 23 ter discussie

Nederland heeft dus, dankzij artikel 23 van de Grondwet, een van de meest vergaande vrije onderwijssystemen ter wereld. Al honderd jaar houdt dit artikel stand. Slechts één keer, in 2006, is er een aanpassing op dit artikel gedaan om zogeheten ‘samenwerkingsscholen’ (vooral relevant voor krimpgebieden) mogelijk te maken. Maar Nederland zou Nederland niet zijn als er niet regelmatig discussies gevoerd worden over dit ‘befaamde en beruchte’ artikel 23 van de Grondwet. Vooral de laatste jaren gaan steeds vaker stemmen op om ons onderwijsstelsel te ‘moderniseren’ door artikel 23 aan te passen of anders te interpreteren. Daaraan liggen uiteenlopende discussies ten grondslag.

Acceptatieplicht voor bijzondere scholen?

Zo stellen sommigen dat het uit de tijd is dat scholen het recht hebben leerlingen te weigeren waarvan de ouders de grondbeginselen niet onderschrijven. Elke leerling moet elke school kunnen bezoeken, is hun stelling. Scholen zouden daarom een acceptatieplicht moeten hebben. Maar daar zijn niet alleen de confessionele partijen het zeer mee oneens, ook de VVD en PvdA vinden dat scholen bepaalde voorwaarden mogen hanteren, zeker als er genoeg alternatieven zijn. En in Nederland zijn die alternatieven er vrijwel altijd. En zijn die alternatieven er niet, dan geldt de acceptatieplicht na al. Los daarvan is dit vooral een theoretische discussie, omdat de huidige situatie feitelijk naar volle tevredenheid functioneert en slechts zeer sporadisch tot een kwestie leidt. Immers: bij een Reformatorische school melden zich uitsluitend kinderen aan uit Reformatorische gezinnen. En kinderen uit islamitische gezinnen die zich bij een protestants-christelijke of katholieke school aanmelden worden altijd geaccepteerd. Het gesuggereerde – om niet te zeggen: opgeblazen - probleem doet zich dan ook feitelijk nooit voor.

Verplicht verdelen vs vrije schoolkeuze

Een andere discussie gaat over de vraag of bijzondere scholen niet méér leerlingen van allochtone afkomst (met verhoudingsgewijs meer zwakkere leerlingen) moeten aannemen, met andere woorden: of de vrijheid van onderwijs niet leidt tot segregatie. De suggestie hierachter is dat bijzondere scholen allochtone kinderen zouden weigeren. Voor deze stelling ontbreekt het bewijs. Sterker, bijzondere scholen nemen veel meer kinderen van niet-Nederlandse komaf op dan openbare scholen. 

Niet van deze tijd?

Toch lijkt het alsof in de politiek de vrijheid van onderwijs vaker dan voorheen onder vuur komt te liggen. Zo stelt de nieuwe partij VNL in haar programma dat de overheid alleen openbaar onderwijs moet financieren. Het congres van Groen Links nam recentelijk een voorstel aan om het gelijk financieren van openbare en bijzondere scholen te stoppen, wegens ‘niet meer van deze tijd’. Het kwam de partij op grote kritiek te staan, en ook de partijtop wekt de indruk niet blij te zijn met deze wijziging in het verkiezingsprogramma. Het lijkt dan ook een onhoudbaar standpunt. De voorbeelden van de landen om ons heen maken duidelijk dat ook daar het ‘bijzonder onderwijs’ gewoon overheidsfinanciering krijgt, zij het niet overal in gelijke mate als in Nederland. Maar te stellen dat het niet van deze tijd is, is in tegenspraak met de trend in omliggende landen dat bijzondere scholen juist steeds vaker en ruimhartiger kunnen rekenen op financiële overheidssteun. Waarschijnlijk zal Groen Links er, mocht het tot formatiebesprekingen komen, geen breekpunt van maken. Maar toch geeft het te denken dat de partij dit standpunt ingenomen heeft. Is het de veranderende tijdgeest in ons ontkerkelijkende land? Of een gebrek aan besef van de waarden onder en de waarde van de vrijheid van onderwijs?

Vrijheid van inrichting vs kwaliteitseisen

Ook op andere aspecten lijkt de vrijheid van onderwijs - bedoeld of onbedoeld - ingeperkt te worden. Zo zien we diverse pogingen om langs de lijn van de kerndoelen, exameneisen, landelijke ontwerpen voor een nieuw curriculum of uitbreiding van eisen van deugdelijkheid en kwaliteit en uniforme toetsen, toe te werken naar meer greep van de overheid op de onderwijsinhoud en het pedagogisch klimaat. Verder zijn er neveneffecten van beleid en regelgeving gericht op regionale samenwerking en schaalvergroting. Op zich om legitieme redenen overigens, zoals krimp en passend onderwijs Maar het zou zomaar zo kunnen zijn dat we wat verderop in de tijd vooral regionale gebiedsautoriteiten zien, grote besturen waar scholen met allerlei kleuren en geen kleur onder vallen, de voorbeelden zijn er al. Dit hoeft de diversiteit van de scholen niet acuut te bedreigen, maar het kan op termijn zeker wel tot uitholling daarvan leiden. De nieuwe bekostiging in het primair en voortgezet onderwijs, waar de komende paar jaar over beslist zal worden, lijkt een sterke nieuwe impuls te gaan opleveren voor op zijn minst bestuurlijke schaalvergroting, die een risico vormt voor de huidige pluriformiteit.

Verantwoordingsplicht zorgt voor spanning

Een andere ‘bedreiging’ voor het onderwijs (zeker niet alleen voor het bijzonder onderwijs) vormt de toegenomen verantwoordingsplicht. Sinds de overheid het standpunt huldigt dat vertrouwen goed, maar controle beter is én er steeds meer nadruk komt te liggen op ‘waar voor ons belastinggeld’ gaat steeds meer tijd van onderwijspersoneel en onderwijsmanagement zitten in het verantwoorden van de besteding van het ontvangen geld. Vaak liggen incidenten hieraan ten grondslag, waarna met extra verantwoordingseisen het gat gedicht wordt. De goeden moeten hier onder de kwaden lijden, terwijl geen enkele school er uiteraard belang bij heeft op onderwijskwaliteit te kort te schieten. Los daarvan moet het bieden van een zekere onderwijskwaliteit niet doorschieten in een blauwdruk om met het verstrekte geld om te gaan. Daarnaast schiet de overheid nogal eens in de regelreflex, door op incidenten te reageren met extra regelgeving en voorschriften. Ook daarbij komt de onderwijsvrijheid onder spanning, bijvoorbeeld wanneer de overheid voorschrijft welke programma’s scholen moeten aanbieden in de strijd tegen het pesten.  

Systeem op slot?

Tot slot vormen ook de regels rondom het stichten van een school van tijd tot tijd een discussiepunt. De vrijheid een eigen school te mogen stichten (mits deze voldoet aan minimale eisen, zoals ten aanzien van leerlingenaantallen bij de start en op langere termijn) is uiteraard een groot goed. Het heeft geleid tot een zeer divers scholenbestand waar ouders erg tevreden over zijn, zoals blijkt uit onderzoek van TNS-NIPO in opdracht van Verus en de VGS. Toch zijn er partijen die de stichtingsregels willen veranderen, bijvoorbeeld door het begrip richting uit de wet te schrappen. Aan een voorstel als ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ kleven echter erg veel praktische bezwaren. Het lijkt dan ook meer ingegeven te zijn door de wens om het aantal scholen gebaseerd op een religieuze levensbeschouwing terug te dringen dan dat er een urgent probleem mee wordt opgelost.

Blijft artikel 23 overeind?

Afgaand op de regelmatig gevoerde discussies over de vrijheid van onderwijs en de diverse voorstellen voor extra regelgeving van de overheid die hiermee op gespannen voet staan, zou je kunnen concluderen dat de vrijheid van onderwijs in ons land onder grote druk staat. Toch is dat niet het geval. In ons land wordt de stelling dat de vrijheid van onderwijs een groot goed is nog altijd breed gedeeld. Wat dat betreft zit artikel 23 niet in de gevarenzone. In zekere zin valt het zelfs te verdedigen dat regelmatig discussie gevoerd wordt over aspecten van de onderwijsvrijheid. De wereld om ons heen verandert immers door de jaren heen en dus is het een goede zaak om voortdurend te monitoren of ‘artikel 23’ ook onder deze gewijzigde omstandigheden overeind blijft, als een soort ‘stresstest’. Zo nemen we waar dat ons land steeds meer islamitische scholen telt. Die ontwikkeling is in zekere zin een lakmoesproef voor onze vrijheid van onderwijs. Hanteren we hier dezelfde maatstaven als voor het christelijk onderwijs? Krijgen ook hier ‘behoudende’ islamitische scholen dezelfde ruimte als, bijvoorbeeld, reformatorische scholen? Hoe groot is de ruimte die deze scholen krijgen voor we deze als ‘maatschappelijk ongewenst’ beschouwen? 

Geen gevaar, maar ook geen waarborgen

Het zijn deze vragen die zorgen voor de scherpte in het debat dat ook vandaag de dag gevoerd wordt. Een debat dat we niet uit de weg moeten gaan. Tegelijk is er alle reden om alert te blijven dat de vrijheid van onderwijs zélf niet ter discussie komt te staan. Immers, we zijn deze 100 jaar geleden verkregen verworvenheid in ons land als zó vanzelfsprekend gaan beschouwen dat we weleens vergeten hoe bijzonder die is. Nee, direct gevaar is er niet. Maar waarborgen zijn er evenmin. Daarom blíjft het noodzakelijk telkens weer de unieke waarden van ons onderwijssysteem uit te dragen, te waarderen en te verdedigen. 

Actueler dan ooit

Want de Nederlandse vrijheid van onderwijs is actueler dan ooit. Juist in een samenleving die steeds pluriformer wordt, is het zeer van belang dat ouders kunnen kiezen uit een divers onderwijsaanbod. Juist in een tijd waarin steeds meer eisen worden gesteld aan de onderwijskwaliteit is de vrijheid van onderwijs, die aantoonbaar geleid heeft tot kwalitatief goed onderwijs, een groot goed. En juist in een tijd waarin religie wereldwijd een steeds grotere rol speelt, Nederland religieus steeds diverser wordt en zingevingsvragen steeds vaker gesteld worden, wordt het belang van door godsdienst of levensbeschouwing geïnspireerd onderwijs alleen maar groter. Dit type onderwijs helpt kinderen om hun eigen kijk op het leven te ontwikkelen. Om oog te hebben voor wat geloof voor mensen kan betekenen. En om respect te hebben voor mensen die anders in het leven staan dan zijzelf. Hiermee worden ze toegerust om vanuit een heldere eigen overtuiging op een positieve, respectvolle wijze deel te nemen aan de Nederlandse samenleving. Daarom is en blijft artikel 23 van de Grondwet ook na 100 jaar een uitstekende basis onder ons onderwijsbestel, voor nu en zeker voor de komende 100 jaar.